Minimale dienstverlening: een mooi principe, maar…

Zeer tot ongenoegen van de vakbonden willen de regeringsonderhandelaars het principe van een minimale dienstverlening bij onder meer de spoorwegen invoeren. De vakbonden vrezen, wellicht niet geheel onterecht, dat daarmee het stakingsrecht zal worden uitgehold. Wie voorstander is van een minimale dienstverlening moet zich afvragen wat men met een minimale dienstverlening echt wenst te bereiken? 

Is een dergelijke minimale dienstverlening niet meer dan een fetisj waarmee men goedkoop wil scoren bij het grote publiek of wil men de bevolking daadwerkelijk een minimale dienstverlening aanbieden waar de reiziger echt iets aan heeft?

De vraag is dan: hoe moet die minimale dienstverlening er in de praktijk uitzien? Veelal wordt gedacht aan per spoorlijn één trein per uur in elke richting. Maar op de meeste spoorlijnen rijden sneltreinen en stoptreinen door elkaar. Wil men bijgevolg in elke richting alle stations en haltes minimaal één keer per uur blijven bedienen, dan betekent dit dat enkel stoptreinen blijven rijden, wat zeker voor klanten die grote afstanden dienen af te leggen niet echt een aanlokkelijk alternatief te noemen is. Bijgevolg is dergelijke minimale dienstverlening eigenlijk alleen echt nuttig voor korte ritten, dus voornamelijk voor klanten die ofwel hun reis makkelijk kunnen uitstellen of over alternatief vervoer kunnen beschikken.

Men zou natuurlijk de lat hoger kunnen leggen en voor elke categorie van trein in een minimumbediening van één trein per uur voorzien. Maar meteen zijn er veelmeer treinbestuurders en treinbegeleiders nodig. Met deze optie is men toch al heel dicht bij de uitholling van het stakingsrecht. Bovendien is zowel deze als vorige optie enkel van nut buiten de spitsuren want voor ochtend- en avondspits is een zo’n aanbod ruim onvoldoende. Deze minimale dienstverlening biedt weinig of geen soelaas aan de talrijke pendelaars die voor hun dagelijkse verplaatsingen gebruik maken van de trein.

Bij een dergelijke minimale dienstverlening zullen de files op de weg er dan ook niet minder op worden dan in vergelijking met de spoorstakingen zoals we die nu kennen. In de bedrijven zullen dan ook even massaal vakantiedagen opgenomen worden als nu. Een dergelijke minimale dienstverlening betekent dan ook niet echt een bijdrage tot ’s lands economie.

Wel zou een nuttige vorm van minimale dienstverlening erin kunnen bestaan dat zowel tijdens de ochtend- en avondspits de normaal voorziene dienstregeling gerespecteerd wordt: zeg maar in de tijdsvorken tussen 6 uur en 9 uur, en tussen 16.00 en 19.00 uur. Buiten deze tijdstippen zou dan geen enkele beperking van het stakingsrecht gelden. Vanzelfsprekend zou een dergelijke inperking van het stakingsrecht van toepassing zijn op de zogenaamde ‘wilde stakingen’ die te pas, maar ook te onpas, opduiken.

Dit laatste voorstel lijkt mij een eerbaar compromis: het biedt een echt nuttige vorm van minimale dienstverlening waar zowel heel wat klanten als bedrijven mee gebaat zijn. Het is bovendien een minimale dienstverlening die, in tegenstelling met andere vormen, vrij vlot te organiseren is.

(c) Nico Callens

Deze tekst verscheen op de opiniepagina’s van De Standaard van 02/10/2007 evenals in het tijdschrift “Mondig Mobiel”, een uitgave van de gebruikersvereniging TreinTramBus.
Deel dit op:
Dit bericht is geplaatst in Economie & arbeid, Mobiliteit, Samenleving. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.