Busworld 2019: voor de eerste keer op de Brusselse Heizel

Van vrijdag 18 oktober tot woensdag 23 oktober 2019 vond in ons land de 25ste editie van de tweejaarlijkse tentoonstelling ‘Busworld’ plaats. Voor de eerste keer in de expohallen op de Brusselse Heizel want vorige edities vonden steevast plaats in de Expohallen van Kortrijk.

Tot voor twee jaar klonk in het wereldje van autobussen en autocars de naam Kortrijk tot in het verre buitenland als een klok: sinds jaren kwamen om de twee jaar busprofessionals van over de hele wereld naar Kortrijk afgezakt en de vele buitenlandse bezoekers vonden dat ‘kleine’ maar intieme Kortrijk toch best wel gezellig. Zowel bezoekers als exposanten vonden mekaar na sluitingsuur vlot in de Kortrijkse binnenstad, wat deze internationale bussententoonstelling een gemoedelijk karakter gaf. Busworld was dan ook niet alleen een internationale bussententoonstelling maar vooral ook een gigantische netwerkingsopportuniteit.

In 2017 vonden 376 exposanten uit 33 landen een plaatsje in de Kortrijkse Hallen. De beurs werd bezocht door meer dan 37.000 bezoekers uit 118 landen.


De nieuwe tweeledige vol-elektrische 7900 van Volvo met pantograaf aan de laadpaal

Maar uitwijken naar het grote Brussel kon niet langer worden uitgesteld omdat de beurs in de Kortrijkse hallen uit zijn voegen was gebarsten en omdat vooral de grote constructeurs schreeuwden om meer tentoonstellingsruimte. Zo kon men op de Heizel de exposanten 50% meer ruimte aanbieden: de beschikbare oppervlakte groeide van 50.000 m² tot 79.000 m².

De verhuis naar Brussel leverde Busworld alvast geen windeieren op: zo steeg het aantal exposanten tot 511 (waarvan totaal 176 nieuw) en steeg het aantal bezoekers tot 39.798.

Deze wereldtentoonstelling voor autobussen is het geesteskind van de nu 77-jarige Luc Glorieux uit Kortrijk, die met dit ambitieus en uniek project begon in de schoot van de BAAV, de beroepsvereniging van autobus- en autocarondernemers van West-Vlaanderen. Bedoeling was om een wereldtentoonstelling op te bouwen met alleen maar bussen en bv. niet samen met andere types bedrijfsvoertuigen. Moeilijk was dat niet want er bestond niets soortgelijks. Wat echter nog geen garantie voor succes was.

Luc Glorieux gaf ondertussen de fakkel door aan dochter Mieke, maar hij loopt nog steeds glunderend en fier op deze busexpo rond. En alhoewel best wel ambitieus in zijn tijd, wellicht kon hij in 1971 niet vermoeden dat anno 2019 Busworld zo’n dimensies zou aannemen. Satelliettentoonstellingen zijn er ondertussen in Rusland, India, China, Indonesië, Kazakstan, Colombia en Turkije terwijl men nu aan het uitkijken is om ook een soortgelijke tentoonstelling in de Verenigde Staten uit de grond te stampen.

Dit wat de achtergronden van Busworld en het belang van Busworld betreft. Nu naar de recentste editie van deze tentoonstelling: Uiterlijk zien zowat alle bussen hetzelfde is en vanuit reizigersoogpunt zijn er geen grote vernieuwingen te bespeuren: lagevloerbussen zijn bij het openbaar vervoer gemeengoed geworden en het reizigerscomfort wordt voor een groot deel door de busondernemingen of overheden bepaald: constructeurs leveren doorgaans wat hen wordt gevraagd.

Vlaanderen is op het vlak van dergelijke innovaties echter geen koploper en graag gaan we in op de uitnodiging van Filip Malefason, Managing Diector van VDL Bus & Coach Belgium om daar later nog eens een boompje over op te zetten.

Bussen zien er vandaag de dag overal hetzelfde uit… tenzij ze er gaan uitzien als een tram. Opvallend is daarbij is dat een aantal constructeurs zich is gaan inspireren op de tramlook van de ExquiCity van Van Hool; zoals het Spaanse Irizar met zijn ‘IE Tram’, de LighTram van het Zwitserse Hess en het Franse Iveco met zijn “Crealis”. Maar vergis je niet: trambussen zijn en blijven bussen die de look van een tram hebben meegekregen.

De trambus van Irizar met pantograaf op de bus

Waar de stad Antibes, aan de Franse Azurenkust, voor zijn ‘BusRapidTransit’’-project koos voor de ‘Crealis’ van Iveco, kreeg in het Franse Pau voor de waterstofversie van de ExquiCity van Van Hool de voorkeur. Over het trambus-project van Antibes overigens geen kwaad woord want dit is werkelijk een project zoals beschreven in de BRT-bijbel: een hoogfrequente ruggengraat in aparte busbaan waarop alle andere busvervoer is geënt, bushaltes waar personen met beperkte mobiliteit zelfstandig de bus kunnen nemen, halte-accommodatie zoals we die kennen bij de betere hedendaagse tramlijnen, … Het BRT-concept is dan ook een concept waarmee busconstructeurs proberen een antwoord te bieden op de keuze tussen nieuwe tramlijnen dan wel nieuwe buslijnen.

De waterstofbus van het Franse Pau is dan weer een ander paar mouwen want in niets lijkt dit op wat een BRT-project zou moeten zijn. Daar was het blijkbaar het belangrijkste dat men een belangrijke som geld had te besteden en men daarbij kon uitpakken met een wereldprimeur. Wereldprimeur die ook constructeur Van Hool goed uitkomt want ook de buscontructeur kwam daarmee breed in de pers.

De waterstof ExquiCity van Van Hool bestemd voor het Franse Pau

Overigens is het op Busworld vooral een zaak om onder de motorkap te gaan kijken. Bij de touringcars is diesel met zijn zuinige EURO VI-motoren (sinds 1 januari 2014 verplicht voor alle nieuwe bussen die op de markt worden gebracht) nog gemeengoed maar bij openbaar vervoer is het al elektrische bus is wat de klok slaat.

Maar ook de tendens naar almaar meer meerledige bussen valt op, zoals bv. de drieledige ExquiCity op waterstof van Van Hool en de drieledige trolley van Irisbus, en dan nog een pak tweeledige elektrische bussen.

Maar zeg niet zomaar elektrische bus want ook daar zijn de onderlinge verschillen groot. Plug-ins waarbij de bussen ’s nachts worden opgeladen in de garage of opportunity charging waarbij bussen aan de eindhaltes worden opgeladen en eventueel tussenin worden bijgeladen. Bij deze laatste zijn er dan weer twee versies: een versie waarbij een pantograaf zich zoals bij tram en trein op het dak bevindt en een andere versie waarbij de pantograaf vanaf de laadpaal wordt neergelaten tot op het dak van de bus. Ook is er nog inductieladen, maar dat lijkt een techniek die niet verder doorbreekt.

Deze elektrische dubbeldeks postbus van de vrij onbekende Britse constructeur Alexander Dennis was duidelijk een buitenbeentje

Keuze genoeg dus, waarbij het soms moeilijk is om door de bomen het bos te vinden.  Voor ons, als busgebruikers, is het daarbij wel veel eenvoudiger geworden en kunnen we ons beperken tot wat voor ons echt belangrijk is. Veelal is het wel uitkijken naar wat de overheden en exploitanten bij hun aankopen veil hebben op het vlak van hulpmiddelen die het de reiziger gemakkelijker en comfortabeler moeten maken.

© Nico Callens, 26/10/2019

Deel dit op:
Dit bericht is geplaatst in Samenleving. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.