De barmhartige Samaritaan

“Er was eens een man die op reis ging van Jeruzalem naar Jericho. Onderweg werd hij overvallen door rovers.

Ze namen zijn geld af, sloegen en mishandelden hem. Dan lieten ze hem liggen.

Er kwam een priester langs.  Hij zag de gewonde man liggen, maar liep verder. Dan kwam er een leviet, een ijverige tempel-bediende, langs. Ook hij zag de gewonde man liggen, maar liep in een boog om hem heen.

Toen kwam er een Samaritaan langs. De joden vonden Samaritanen geen goede mensen, omdat ze zogezegd geen goede gelovigen waren. Maar de Samaritaan stopte, en kreeg medelijden met hem. Hij verzorgde zijn wonden, en zette hem op zijn eigen ezel.

Hij bracht hem naar een herberg, en zei tegen de waard: “Hier is geld, verzorg deze man heel goed.”

Jezus vroeg: “Wie van de drie was goed voor de gewonde?”

Iemand antwoordde: “Degene die hem verzorgd heeft.”
Jezus zei: “Doe dan vanaf nu zoals de Samaritaan en zorg goed voor je naaste.”

Lucas 10, 25-37

Het kan vreemd lijken om in deze kolommen een parabel uit de bijbel te citeren. Toch lijkt mij dit een geschikt kapstok om dit stukje aan op te hangen. De barmhartigheid van de (West-)Europeaan, waaronder ook wij Belgen en Vlamingen, wordt dezer dagen toch wel heel erg bevraagd.

Vooreerst is er de heikele kwestie van de bootvluchtelingen die via Lampedusa, een uitsteeksel van Europa, op zoek gaan naar een nieuwe (economische) toekomst. Booswichten verdienen zwaar geld aan het mensen opeengepakt als sardienen in een blik het ruime sop in te sturen in  gammele bootjes of zelfs hele boten. Opdat ze in hun opzet zouden slagen en maximaal beroep zouden kunnen doen op de barmhartigheid van de Europeanen, is het belangrijk dat deze boten en bootjes vlakbij hun eindbestemming stranden.

Situering Lampedusa

Europa staat hier tussen de verscheurende keuze om zijn barmhartigheid te tonen en aldus die niets ontziende booswichten maximaal in de kaart te spelen dan wel om zich van zijn hardvochtigste kant te tonen en die booswichten het nakijken te geven. Maar wellicht is hier een genuanceerde benadering nodig waarbij maximaal hulp wordt geboden aan mensen in nood maar tegelijkertijd wordt geprobeerd om de problemen bij de wortel aan te pakken. Geen gemakkelijke uitdaging, maar de vraag rest of er wel een andere keuze is ?

Verder is er ook nog de in eigen land hopende actie “Kop op tegen kanker”, die uitgaat van een niet-gouvernementele organisatie die opkomt voor het recht van patiënten op de beste behandeling en zorg, en het recht van mensen op een gezonde leefomgeving en reeds aardig volwassen is geworden: in 1988 deed Kathy Lindekens een oproep voor een benefietactie ten voordele van kinderen met kanker. Ze mobiliseerde haar radiocollega’s en dat leidde tot een benefietshow die op 14 mei 1989 werd uitgezonden op TV2. De toenmalige BRT vond dat het daar niet mocht bij blijven en zo is Kom op tegen Kanker ontstaan. De tweede campagne kwam er in 1991 en sinds dan is er één om de twee jaar (geciteerd uit: http://nl.wikipedia.org/wiki/Kom_op_tegen_Kanker).

Dit jaar loopt er een nieuwe actie en het is aandoenlijk om te vernemen waaraan de opgehaalde gelden worden besteed (http://www.komoptegenkanker.be/uw-geld-goed-besteed). Elke dag krijgen immers 105 Vlamingen te horen dat ze kanker hebben en het doet deugd om te vernemen dat Vlaanderen, en bij uitbreiding België, aan de top staat van het kankeronderzoek. Aan te stippen valt dat dit puike resultaat niet alleen het resultaat is van onder meer door “Kom op tegen Kanker” ingezamelde gelden, maar ook door een multidisciplinaire aanpak die de “not in my backyard”-mentaliteit aardig overschrijdt.

Op het moment van dit schrijven werd reeds 2.335.354 euro ingezameld.

Hier is het duidelijk geen kwestie van polariseren en het tegen mekaar opzetten van mensen, maar wel naar het zoeken naar waar mensen en groepen complementair zijn met elkaar.

Maar alsof dit alles nog niet genoeg is, krijgen we nu de opeenvolgende reeks van aardbevingen in het straatarme Nepal op ons bord. België stuurde er meteen zin BFast-team er op uit, maar op het moment van dit schrijven, zitten deze mensen vast in de luchthaven van het Indiaanse New Delhi, op hoop en al een uur vliegen van het onder meer getroffen Kathmandu, de plaats met de enige luchthaven van betekenis in Nepal. En is er helemaal geen zekerheid of ze wel hun eindbestemming in Nepal zullen halen en zullen kunnen doen waarvoor ze zijn gekomen: proberen zoveel mogelijk overlevenden uit het puin te redden.

Want al lijken de omstandigheden nogal mee te zitten: naarmate de tijd verloopt, slinken de kansen om overlevenden van tussen het puin te halen. Toch is men nu al aan het uitkijken of dit BFast-team op een alternatieve manier zijn steentje kan bijdragen om het leed van de Nepalezen te verzachten.

Zoiets siert de mens. In de marge daarvan werd ik echter ook in het hart getroffen door de houding van de Belgische bergbeklimmers die tot voor de aardbeving de Mount Everest probeerden te bedwingen. De Vlaamse expeditieleider Jelle Veyt vertelde via een Skype-communicatie met de VRT-nieuwsdienst hoe o.m. zijn aandacht uitging naar de Sherpa’s die in de onwetenheid verkeerden over hun familieleden. Het basiskamp op 5.350 meter hoogte was wegens verder lawinegevaar niet echt veilig meer te noemen en daarom zouden ze proberen dit basiskamp zo snel mogelijk (te voet) proberen te verlaten om daarna te zien of er vanuit Katmmandu een steentje bij te dragen tot de verdere hulpverlening.

Dit deed mij terugdenken aan de grote Belgische Himalaya-expeditie van 1989 die vroegtijdig diende te worden  afgebroken wegens opkomend noodweer. Nadat eerst drie expeditieleden, waaronder de Belg Rudy Van Snick, vermist waren gemeld, bleek het voor de expeditieleden mee te vallen. Om te citeren uit het boek “Mount Everest: Het verhaal van de Mount Everist Expeditie” van André Peeters, journalist van Het Nieuwsblad die vanuit het basiskamp verslag uitbracht en met dagboekfragmenten van expeditie-leider Herma Detienne:

“Wie hebben het overleefd?  Dat is nu de vraag want zondere uitleg beseffen wij zeer goed dat één klimmer nooit meer zal terugkeren. Is het Rudy (nvdr: Van Snick) zelf? Neemt iemand het van ons kwalijk dat wij aan hem denken?  Hij is ons het meest nabij.

Om 10 uur klinkt de monotone stem van Rudy uit de radio: “Rudy roept het basiskamp. Ik ben in kamp 3. Om zeven uur vanmorgen is (sherpa, nvdr) Lhakpa Dorje in kamp 4 gestorven. Hij is onder de zuidtop gevallen, heeft daarna  een nacht met zuurstof geslapen. Wij waren om 12 uur  ’s nachts  uit kamp 4 vertrokken. Wij zijn tot op 150 meter van de top gekomen. Ang Rita en ik konden amper van de zuidcol wegkomen. Ik ben bang dat mijn voeten zijn bevroren”.

Het pijnlijke is dat sherpa’s Lhakpa Dorje en Ang Rita samen met Rudy Van Snick in deze situatie waren terecht gekomen door de tomeloze ambitie van Rudy Van Snick die tegen het advies van de sherpa’s in, en dit ingegeven door de zich verslechterende weersomstandigheden, toch de top van de Mount Everest wilde bereiken.

Deze Himalaya-expeditie eindigde duidelijk in mineur: net de top van de Mount Everest gemist en op de koop toe nog een dode sherpa op het geweten.

Het is misschien wat cru uitgedrukt, maar dit lijkt mij toch een goede samenvatting van wat er toen aan de hand is geweest.

Op zich zou dit een anekdote kunnen zijn gebleven ware het niet dat de leden van de Belgische expeditie zich om het wel en wee van de achtergebleven leden van het gezin van sherpa Lhakpa Dorje zijn blijven bekommeren.

Dit was dan ook de achtergrond waarin ik André Peeters, die vanuit het basiskamp voor Het Nieuwsblad verslag uitbracht over de Belgische expeditie, in het voorjaar van 1989 interviewde. Om te citeren uit dat interview:

“Het gebeurt niet elke dag dat een journalist van een Belgische krant naar het dak van de wereld wordt gestuurd om te berichten over het wel en wee van een expeditie. In plaats van op een afstand te berichten over de winterexpeditie van de Belgian Himalaya Club, stuurde de krant Het Nieuwsblad voor de volledige duur van de expeditie haar journalist André Peeters mee naar het basiskamp…

Toen we André Peeters vroegen of hij bereid was tot een interview, lag het in de bedoeling om wat meer te vernemen over de toch wel bijzondere omstandigheden waarin hij tijdens het verloop van de expeditie zijn beroep diende uit te oefenen.

Een lezersbrief die de dag voordien verscheen in de krant “Het Laatste Nieuws” en waarin kritiek werd geleverd op enerzijds het gebruik van sherpa’s bij dergelijke expedities en anderzijds op de verslaggeving, bood een welgekomen aanknopingspunt voor de start van het interview. De briefschrijver meende dat ter wille de eigen roem de niet onbelangrijke rol van de sherpa’s niet aan bod kwam in de berichtgeving.

André Peeters  had de betreffende lezersbrief nog niet gelezen, maar zijn rustige en spontane commentaar daarop illustreerde op een genuanceerde manier wat er leeft in het wereldje dat bergen wil te lijf gaan.

(…)

Opvallend was zijn eerste reactie waarbij André zich liet ontvallen dat de briefschrijver iemand was die toch wel vertrouwd was met het expeditiemilieu. Verder kaderde hij deze lezersbrief in een controverse die heerst tussen de aanhangers van de ‘ klassieke expedities’ en de aanhangers van de meer ‘progressieve lichtgewichtexpedities’.

De klassieke expedities worden gekenmerkt door een massa aan gesofistikeerd materieel dat meegezeuld wordt en door het in een grote mate gebruik maken van sherpa’s. De meer progressieve groep zweert daarentegen voor een kleine groep deelnemers (4 à 5 personen), een minimum aan materiaal en het afzien van het gebruik van sherpa’s.

Naar verluidt zou het in die milieu’s soms tot bittere opmerkingen heen en weer komen.

Toch is het niet de aard van de expeditie, maar wel de geest die er leeft, die bepalend is voor de manier waarop er beroep wordt gedaan op de diensten van de sherpa’s. Zo zijn er bv. grote expedities van de Polen (nvdr: we schrijven anno 1989). Zij maken doorgaans geen gebruik van sherpa’s en indien ze dat wel doen is het enkel om het materiaal aan te voeren naar het basiskamp. De eigenlijke beklimming doen ze dan zonder sherpa’s.

(…) Ook al was de Belgische expeditie een grote en klassieke expeditie, in ons geval durf ik te zeggen dat  niemand van ons de sherpa’s alleen maar als dragers heeft aanzien. Voor ons waren de sherpa’s geen lastdieren. Ook de Belgische expeditie-leden hebben soms meegeholpen bij het transporteren van materieel, terwijl zoiets normaal alleen maar voo de sherpa’s bestemd is.

Wij vormden één groep waarbij we beroep deden op de wederzijdse ervaring en kennis (…).

Een lang citaat met de bedoeling om wat duiding te brengen over het expeditie-leven tussen basiskamp en top van de Mount Everest. En om eeen brug te slaan naar de woorden van Jelle Veyt, leider van de zopas gestrande expiditie aan de Mount Everest, die zich erg bekommerde om zijn sherpa’s die in het ongewisse verkeerden over het wel en wee van hun familieleden en die zo snel mogelijk naar Katmandu wilde terugkeren om waar mogelijk hulp te kunnen bieden.

Waar kleine Belgen groots in kunnen zijn..

Deel dit op:
Dit bericht is geplaatst in Samenleving. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.